Halte 1 van 5
Het communicatiemodel
Elke tekst, elk filmpje en elk gesprek is een boodschap die iemand naar iemand stuurt. Het communicatiemodel zet daar acht woorden op, en met die acht kan je bijna elke tekst uit elkaar halen: zender, boodschap, ontvanger, kanaal, context, doel, effect en ruis.
| Element | Vraag die je stelt | Voorbeeld |
|---|---|---|
| zender | Wie stuurt dit? | het bedrijf achter een reclamefilmpje |
| boodschap | Wat wordt er gezegd? | dat je tien minuten later zal zijn |
| ontvanger | Voor wie is het bedoeld? | je leerkracht |
| kanaal | Langs welke weg? | een telefoongesprek, een mail, een blog |
| context | In welke situatie? | je bus heeft vertraging |
| doel | Wat wil de zender bereiken? | je laten stoppen met roken |
| effect | Wat gebeurt er echt? | jij vindt het filmpje vooral grappig |
| ruis | Wat stoort onderweg? | lawaai, een slechte verbinding, vermoeidheid |
Let op het verschil tussen doel en effect. Het doel is wat de zender wil, het effect is wat er werkelijk gebeurt bij de ontvanger. Die twee zijn zelden precies hetzelfde, en daarom staan ze apart in het model. Een antirookfilmpje dat jou vooral doet lachen, heeft zijn doel gemist: het effect wijkt af van het doel.
Ook context staat er niet zomaar bij. Dezelfde zin betekent iets anders in een andere situatie. 'Doe de deur dicht' klinkt anders van een vriend dan van een directeur, en anders in de klas dan thuis. De context is de omringende situatie: de plaats, het moment en de relatie tussen zender en ontvanger. Verwar hem niet met het kanaal, dat de drager is.
Stuur je dezelfde boodschap eerst als spraakbericht en daarna als mail, dan verandert er maar één ding: het kanaal. Zender, boodschap en ontvanger blijven gelijk.