Halte 1 van 6
Homeostase
Homeostase betekent dat een organisme zijn inwendige milieu binnen nauwe grenzen houdt, terwijl de omgeving verandert. Het is geen stilstand: je lichaamstemperatuur, je glucosegehalte en je bloeddruk schommelen voortdurend een beetje en worden telkens teruggebracht.
Een organisme heeft die regeling nodig om zich te handhaven, want zijn cellen werken alleen binnen nauwe grenzen van temperatuur en samenstelling. Loopt het te ver uit, dan vallen de processen in de cellen stil.
De waarde waarrond het lichaam het inwendige milieu houdt, is de normwaarde. Voor de lichaamstemperatuur ligt die rond graden. Wijkt de gemeten waarde daarvan af, dan grijpt het systeem in.
Zo'n afwijking begint met een prikkel: elke verandering in het inwendige of het uitwendige milieu. Koude lucht op je huid is een uitwendige prikkel, een dalend glucosegehalte in je bloed een inwendige.
De regeling zelf gebeurt met een regelsysteem of feedbacksysteem: het gebruikt het gevolg van een proces om dat proces bij te sturen. Het meet, het vergelijkt met de normwaarde en het stuurt bij, dag en nacht, ook terwijl je beweegt. Een afwijking hoeft dus niet groot te worden voor het systeem in werking komt, en net daardoor blijft de verstoring klein.