De woorden die je het vaakst nodig hebt: getallen, kleuren, dagen, maanden, familie en je lichaam. Je doet de haltes één voor één, in je eigen tempo. Je hoeft niets in één keer af te maken; wat je gehad hebt, blijft staan.
0 van de 6 haltes gestempeld
Halte 1 van 6
Tellen
1–10
11–20
Tientallen
one, two, three, four, five
eleven, twelve, thirteen
ten, twenty, thirty
six, seven, eight, nine, ten
fourteen, fifteen, sixteen
forty, fifty, sixty
seventeen, eighteen, nineteen, twenty
seventy, eighty, ninety
Let op het paar dat het vaakst verward wordt: thirteen is 13, thirty is 30.
Vanaf dertien eindigt bijna alles op -teen, en de tientallen op -ty. Hoor je het verschil niet, let dan op de klemtoon: thirteen, maar thirty.